Brussel verlaten

29-06-2026

Quitter Bruxelles

Je quitterai Bruxelles avant qu'il ne soit tard,
Avant que sa tristesse n'entre au fond de mon âme ;
Je cherche encore en vain son ancien doux regard,
Et je ne retrouve plus que l'ombre de sa flamme.

Je me souviens encor de ses paisibles soirs,
Des cloches qui montaient dans la brume légère ;
La pluie faisait briller les vieux pavés si noirs,
Et la ville semblait moins triste et moins étrangère.

Les poubelles, les déchets ont terni ses couleurs ;
La crasse des chemins monte jusqu'aux fenêtres ;
Et je crois voir parfois, sous ces nouveaux malheurs,
Une ancienne beauté qui n'ose plus paraître.

Aujourd'hui tout se tait, tout paraît se faner ;
Les herbes vont poussant sur les pierres usées ;
On voit les vieux quartiers lentement s'abandonner,
Comme un jardin désert aux portes mal fermées.

Une obscure inquiétude habite chaque rue ;
Le soir tombe plus vite et pèse sur les cœurs ;
Et l'on marche parfois comme en terre inconnue,
Au milieu du silence et des vagues frayeurs.

Tout y parle d'oubli, de fatigue et de fin ;
L'air a le goût du froid, de la pluie et des cendres ;
On dirait qu'une main s'acharne, soir et matin,
À défaire en secret ce qu'on espérait défendre.

Je partirai pourtant avec un long regret ;
Car je l'aimais jadis comme on aime une amie.
Je laisse derrière moi son douloureux secret :
Une ville qui meurt sans bruit et sans patrie.


Ik zal Brussel verlaten voordat het te laat is,
Voordat zijn droefheid tot in mijn ziel doordringt;
Tevergeefs zoek ik naar zijn oude, zachte gelaat,
En ik vind slechts de schaduw van zijn vroegere vlam.

Ik herinner mij nog zijn rustige avonden,
De klokken die opstegen in de lichte nevel;
De regen deed de donkere kasseien glanzen,
En de stad leek minder droevig en minder vreemd.

Vuilnis en afval hebben zijn kleuren verbleekt;
Het vuil van de straten klimt op tot aan de vensters;
En soms meen ik onder deze nieuwe rampen
Een oude schoonheid te zien die zich niet meer durft te tonen.

Vandaag zwijgt alles, alles lijkt te verwelken;
Het onkruid groeit op tussen de versleten stenen;
De oude wijken geven zich langzaam over,
Als een verlaten tuin met halfopen poorten.

Een donkere onrust woont in elke straat;
De avond valt sneller en drukt op de harten;
En soms loopt men alsof men in een vreemd land is,
Te midden van stilte en vage angsten.

Alles spreekt er van vergetelheid, vermoeidheid en einde;
De lucht smaakt naar kou, regen en as;
Men zou denken dat een onzichtbare hand, dag en nacht,
In het geheim vernietigt wat wij hoopten te bewaren.

Toch zal ik vertrekken met een diep verdriet;
Want eens hield ik van haar zoals men van een vriend houdt.
Ik laat haar droevige geheim achter:

Een stad die stil sterft, zonder vaderland.

Share