De helderheid in de ruïnes
La clarté dans les ruines
Dans l'or et dans le sang se noie l'humanité,
Les peuples prosternés devant leurs idoles vaines,
Satan règne en secret sur notre obscurité,
Et nourrit dans les cœurs la discorde et la haine.
Les élites corrompues, les princes et les rois,
Échangent leurs serments pour des pièces funestes,
Ils vendent leurs vertus aux marchés sans lois,
Et sèment dans nos vies des misères célestes.
Le désir sans limite asservit les consciences,
La chair gouverne l'âme et consume l'esprit,
On insulte le Ciel, on raille la croyance,
Et l'homme se détruit dans son propre mépris.
La guerre et la rancœur consument les nations,
La bêtise en triomphe et l'inculte gouverne,
Les foules lobotomisées prient leurs illusions,
Sans voir que l'abîme à leurs pas se prosterne.
Les haines renaissantes attisent les blessures,
Les peuples s'opposant pour un nom, une foi,
On célèbre la nuit, on méprise l'écriture,
Et la lumière fuit des palais et des lois.
Les temps portent déjà l'écho des funérailles,
Les cendres recouvriront le rire des festins,
La fin monte en silence au cœur de la bataille,
Et l'homme danse encore au bord de son destin.
Pourtant je reste calme au milieu du vacarme,
Indifférent au bruit des tempêtes du temps,
Je cherche dans la nuit la douceur d'une arme,
Les chants, la paix, le silence apaisant.
Ainsi je me recueille en l'éclat d'une flamme,
Je bois à la source où s'apaise la peur,
La prière me guide et console mon âme,
Et la Vérité seule illumine mon cœur.
In goud en in bloed verdrinkt de mensheid,
Volken knielen voor hun ijdele afgoden,
Satan heerst in het geheim over onze duisternis
En voedt in harten verdeeldheid en haat.
Corrupte elites, prinsen en koningen,
Wisselen hun eden voor noodlottige munten,
Zij verkopen hun deugden op wetteloze markten
En zaaien in ons leven hemelse ellende.
Grenseloos verlangen knecht het geweten,
Het vlees beheerst de ziel en verteert de geest,
Men beledigt de Hemel, bespot het geloof,
En de mens vernietigt zich in zijn eigen minachting.
Oorlog en wrok verteren de naties,
Domheid triomfeert en onkunde regeert,
Gelobotomiseerde menigten aanbidden hun illusies,
Zonder te zien dat de afgrond zich aan hun voeten uitstrekt.
Herlevende haat wakkert oude wonden aan,
Volken staan tegenover elkaar om een naam, een geloof,
Men viert de nacht en veracht het geschreven woord,
En het licht wijkt uit paleizen en wetten.
De tijden dragen reeds de echo van begrafenissen,
As zal het gelach van de feesten bedekken,
Het einde stijgt in stilte in het hart van de strijd,
En de mens danst nog steeds aan de rand van zijn lot.
Toch blijf ik kalm te midden van het rumoer,
Onverschillig voor het lawaai van de stormen der tijd,
Ik zoek in de nacht de zachtheid van een wapen,
Liederen, vrede, een verzachtende stilte.
Zo verzamel ik mij in de glans van een vlam,
Ik drink aan de bron waar de angst tot rust komt,
Het gebed leidt mij en troost mijn ziel,
En alleen de Waarheid verlicht mijn hart.
