Het Spook
Le Fantôme

Petit enfant perdu dans l'indifférence,
Il apprit à se taire et à s'effacer,
Il grandit dans la peur et dans l'absence,
Sans jamais oser demander d'exister.
Il jouait au fantôme au milieu des vivants,
Se glissait dans l'ombre sans faire de bruit,
Il disparaissait aux yeux des gens,
Comme s'il appartenait au monde de la nuit.
Il jouait si bien à l'esprit,
Qu'on oubliait parfois jusqu'à son existence,
Il attendait qu'un regard se pose sur lui,
Mais ne rencontrait que le vide et le silence.
À force de s'effacer au fil des années,
Il crut que sa place était parmi les morts,
Lui qui n'avait jamais appris à exister,
Comme un bateau à la dérive sans trouver de port.
Petit garçon blessé qui n'osait plus paraître,
Il se cachait du monde et de ses vérités,
Faute de se sentir accepté il choisit de disparaître,
Et fit de l'invisible un refuge où se protéger.
Een klein kind, verloren in onverschilligheid,
Hij leerde te zwijgen en langzaam te verdwijnen,
Hij groeide op in angst en gemis,
Zonder ooit te durven vragen om te mogen bestaan.
Hij speelde het spook tussen de levenden,
Gleed geruisloos de schaduwen in,
Hij verdween uit het zicht van de mensen,
Alsof hij thuishoorde in de wereld van de nacht.
Hij speelde zo goed voor geest,
Dat men soms zelfs vergat dat hij bestond,
Hij wachtte tot een blik op hem zou rusten,
Maar vond alleen leegte en stilte.
Door jaar na jaar steeds meer te verdwijnen,
Ging hij geloven dat zijn plaats bij de doden was,
Hij, die nooit had geleerd om te bestaan,
Als een stuurloos schip dat geen haven kon vinden.
Kleine, gekwetste jongen die zich niet meer durfde te tonen,
Hij verborg zich voor de wereld en haar waarheden,
Omdat hij zich niet geaccepteerd voelde, koos hij ervoor te verdwijnen,
En maakte hij van onzichtbaarheid een schuilplaats om zich te beschermen.
