Hij
Lui

Il courait jadis dans les couloirs dorés des saisons claires,
Le cœur rempli de soleils immenses et de matins incendiés,
Parmi les herbes hautes baignées d'une innocence légère,
Comme si rien au monde ne pouvait encore se briser.
Le vent glissait doucement contre les vitres pâles de la maison,
Les jardins s'endormaient dans une lente odeur de pluie,
Et ses yeux d'enfant cherchaient déjà derrière l'horizon
Quelque chose d'invisible qu'il ne comprenait pas encore aujourd'hui.
Puis vint la nuit ramper dans les draps froids de la demeure,
Les voix des adultes montaient comme des bêtes dans le soir,
L'amour se décomposait lentement d'heure en heure,
Laissant dans chaque pièce une fatigue sans espoir.
Les portes tremblaient sous les colères et les silences de pierre,
Les assiettes éclataient dans une lumière de fin du monde,
Et l'enfant voyait mourir son reflet dans les éclats de verre,
Comme une âme engloutie dans une eau profonde.
On l'a nourri d'absences, de regards vides et de fièvres anciennes,
Du goût des abandons collé aux murs et aux saisons fanées,
Chaque blessure ouvrait en lui des chapelles souterraines
Où les rêves semblaient déjà vouloir s'agenouiller.
Alors il devint semblable aux revenants des gares désertées,
Un adolescent perdu dans des saisons sans respiration,
Cherchant dans des mondes fictifs des lumières inventées,
Pour fuir l'éternel naufrage et le deuil de la maison.
Les nuits coulaient dans ses veines comme une liturgie maladive,
Sous des néons blafards pareils à des astres mourants,
Il bâtissait d'immenses royaumes aux frontières fugitives
Comme on invente un paradis lorsqu'on n'attend plus rien du vivant.
Une vieille cassette tournait jusqu'à l'aube dans la chambre immobile,
Mêlant aux murs ternis des refrains couverts de poussière,
Comme une voix venue des cryptes ou d'une cathédrale fragile,
Descendant lentement vers son âme funéraire.
Puis vint l'âge adulte avec ses routes pâles et ses matins d'orage,
Les corps traversés sans amour dans des relents de néant,
La liberté prenait parfois le visage d'un mirage,
Sous les draps froids des chambres où s'endormait le temps.
Il avançait parmi les foules avec des chansons dans le sang,
Portant des parfums de pluie, de tabac froid et de poussière,
Traînant derrière ses pas les ombres de l'enfant d'avant,
Comme un vieux cortège perdu dans le souffle des cimetières.
Car le passé ne meurt jamais dans les meubles abandonnés,
Il survit dans les vieux disques et les fragrances oubliés,
Dans certaines mélodies capables de rouvrir les années
Comme des cicatrices qu'aucun hiver n'a refermées.
Aujourd'hui il marche encore dans une existence silencieuse,
Le regard traversé de visages, de gravats et de feux,
Comme un homme revenu de traversées mystérieuses
Qui aurait laissé derrière lui des continents douloureux.
Il vit simplement parmi ses souvenirs et ses présences discrètes,
Avec parfois des voix anciennes remontant du lointain,
Comme si les morts murmuraient encore dans les tempêtes
À travers les rideaux fatigués du matin.
Et dans cette obscurité lente où les heures deviennent prières,
Deux flammes demeurent vivantes au milieu du passé,
Ses grand-mères aux mains usées par le froid et la lumière,
Celles qui surent doucement empêcher son cœur de sombrer.
Elles furent les sanctuaires dressés dans ses saisons de ruine,
Les dernières terres sacrées au milieu des douleurs,
Quand les nuits devenaient trop lourdes pour porter sa poitrine
Et que son âme s'enlisait dans les marécages de la peur.
Leurs prières sentaient la cire, le linge ancien et les dimanches austères,
Elles parlaient à Dieu comme on parle aux disparus,
Et c'est dans leurs gestes fatigués, dans leur tendresse presque monastère,
Qu'il apprit à survivre lorsqu'il ne s'aimait plus.
Alors il garde leurs visages comme des icônes dans sa mémoire,
Deux saintes aux mains de clarté perdues dans les tempêtes du temps,
Celles qui l'ont guidé hors des gouffres et des territoires noirs
Jusqu'à cet homme silencieux qu'il est devenu maintenant.
Et lorsque la nuit devient immense au-dessus des villes endormies,
Que les chansons d'autrefois remontent comme des psaumes anciens,
Il parle à Dieu dans le silence fragile de l'insomnie
Avec la foi tremblante des êtres qui reviennent de loin.
Car sous la cendre des années, parmi les spectres et les flammes,
Il croit que les morts continuent de marcher près des vivants,
Et que Dieu recueille un jour les enfants perdus et les âmes
Dans un royaume apaisé où le chagrin devient absent.
Hij rende ooit door de gouden gangen van heldere seizoenen,
Met een hart vol immense zonnen en brandende ochtenden,
Tussen het hoge gras, badend in een lichte onschuld,
Alsof niets ter wereld ooit nog kon breken.
De wind gleed zacht langs de bleke ramen van het huis,
De tuinen vielen in slaap in een trage geur van regen,
En zijn kinderogen zochten al achter de horizon
Naar iets onzichtbaars dat hij zelfs vandaag nog niet begreep.
Toen kwam de nacht kruipen in de koude lakens van het huis,
De stemmen van de volwassenen stegen op als beesten in de avond,
De liefde viel langzaam uiteen, uur na uur,
En liet in elke kamer een hopeloze vermoeidheid achter.
De deuren beefden onder woede en stenen stiltes,
Borden spatten uiteen in een licht alsof de wereld verging,
En het kind zag zijn spiegelbeeld sterven in de scherven van glas,
Als een ziel verzwolgen door diep water.
Men voedde hem met afwezigheden, lege blikken en oude koortsen,
Met de smaak van verlating die aan de muren en vergeelde seizoenen kleefde,
Elke wond opende in hem ondergrondse kapellen
Waar dromen al leken te willen knielen.
Zo werd hij gelijk aan de geesten van verlaten stations,
Een verdwaalde adolescent in seizoenen zonder adem,
Zoekend in fictieve werelden naar verzonnen lichten
Om te vluchten voor de eeuwige schipbreuk en de rouw van het huis.
De nachten stroomden door zijn aderen als een ziekelijke liturgie,
Onder vale neonlichten als stervende sterren,
Hij bouwde immense koninkrijken met vluchtige grenzen
Zoals men een paradijs verzint wanneer men niets meer van het leven verwacht.
Een oude cassette draaide tot aan de dageraad in de stille kamer,
En vermengde met de doffe muren refreinen bedekt met stof,
Als een stem afkomstig uit crypten of een broze kathedraal,
Die langzaam neerdaalde naar zijn dodenziel.
Toen kwam de volwassenheid met haar bleke wegen en stormachtige ochtenden,
Lichamen doorkruist zonder liefde in geuren van leegte,
Vrijheid nam soms het gezicht van een luchtspiegeling aan,
Onder de koude lakens van kamers waar de tijd in slaap viel.
Hij liep tussen de menigten met liederen in zijn bloed,
Dragend de geur van regen, koude tabak en stof,
Terwijl hij achter zich de schaduwen van het vroegere kind meesleepte,
Als een oude stoet verdwaald in de adem van begraafplaatsen.
Want het verleden sterft nooit in verlaten meubels,
Het overleeft in oude platen en vergeten geuren,
In bepaalde melodieën die de jaren opnieuw kunnen openen
Als littekens die door geen enkele winter zijn gesloten.
Vandaag wandelt hij nog steeds door een zwijgend bestaan,
Met een blik doorkruist door gezichten, puin en vuur,
Als een man teruggekeerd van mysterieuze overtochten
Die pijnlijke continenten achter zich heeft gelaten.
Hij leeft eenvoudig tussen zijn herinneringen en discrete aanwezigheid,
Met soms oude stemmen die uit de verte opstijgen,
Alsof de doden nog fluisteren in de stormen
Door de vermoeide gordijnen van de ochtend heen.
En in die trage duisternis waar de uren gebeden worden,
Blijven twee vlammen levend midden in het verleden,
Zijn grootmoeders met handen versleten door kou en licht,
Zij die zachtjes wisten te verhinderen dat zijn hart zonk.
Zij waren de heiligdommen opgericht in zijn seizoenen van verval,
De laatste heilige landen midden in het verdriet,
Wanneer de nachten te zwaar werden om zijn borst te dragen
En zijn ziel wegzonk in de moerassen van angst.
Hun gebeden roken naar kaarsvet, oud linnen en strenge zondagen,
Zij spraken tot God zoals men spreekt tot de verdwenen doden,
En het was in hun vermoeide gebaren, in hun bijna kloosterlijke tederheid,
Dat hij leerde overleven toen hij zichzelf niet meer liefhad.
Zo bewaart hij hun gezichten als iconen in zijn geheugen,
Twee heiligen met handen van licht, verloren in de stormen van de tijd,
Zij die hem uit afgronden en donkere gebieden hebben geleid
Tot die stille man die hij nu geworden is.
En wanneer de nacht immens wordt boven slapende steden,
En de liederen van vroeger opstijgen als oude psalmen,
Spreekt hij tot God in de broze stilte van de slapeloosheid
Met het bevende geloof van wezens die van ver terugkeren.
Want onder de as van de jaren, tussen de geesten en de vlammen,
Gelooft hij dat de doden blijven wandelen naast de levenden,
En dat God ooit de verloren kinderen en de zielen verzamelt
In een vredig koninkrijk waar verdriet niet meer bestaat.
